|
Even voorstellen 1. Wie is Bas Bas is een duizendpoot. Niet zo'n eng lang dun harig beest met van die kruiperige poten. Nee, Bas is een stoere duizendpoot.
Stoer, sterk èn harig. Stel, dat hij nu bij jou in een hoekje van de kamer zat. Dan zou je trots zijn dat hij daar was. Zo'n duizendpoot is Bas. Maar weet je, Bas komt niet graag bij mensen thuis. Je zult hem dus nooit vinden in je huis. Bas woont heel ver weg, verder dan je voor mogelijk houdt. Bas woont in Donkerdam, een vrij donker bos midden in een stralend woud: het Goudstralenwoud.
Donkerdam is dus een bos ìn een bos. Het is er niet te droog en niet te vochtig. Ideaal voor Bas en al zijn soortgenoten, met natuurlijk méér dan honderd poten.
2. Wat je eerst moet weten Bas is zichzelf niet meer Bas zat, na een slapeloze nacht,
triest voor zijn holletje tussen twee polletjes mos. Zijn holletje, nou ja! Hij leeft onder een grote steen; een witte kei! Daar heeft hij een heleboel fraaie gangen gegraven en, voor een duizendpoot dan, heel gezellig ingericht. Maar Bas ging zijn huisje niet meer binnen, hij kroop niet meer onder die steen. Het is er heel gezellig, jawel, maar opeens voelde hij zich daar te alleen. Daar zat Bas dus
een beetje zielig en een beetje sip voor zijn deur. Twee jonge nog korte zonnestralen uit het Goudstralenwoud zorgden voor een beetje kleur, een sprankeltje goud. Ze dansten over het vochtige mos rond Bas zijn kastanjebruine lijf, flitsten tussen de haartjes op zijn rug; maar Bas deed niets terug. Zijn voelsprieten stonden treurig en gebogen en deinden verveeld voor zijn ogen.
Zijn vrienden in het bos, in Donkerdam: Nel en Erwin Spin, Roos en Eef Pier, de hele familie Mier, Bor en Floor Tor, de familie Mol en de familie Muis, Suzie en Ring Slang - hier stop ik maar anders wordt de lijst wel héél erg lang - konden er niet tegen en werden er treurig van. Ook de dieren uit het Goudstralenwoud begrepen het niet. Ze riepen zijn naam, kwaakten en kwetterden, tsjilpten en schetterden;
maar Bas verzette geen poot, verroerde geen spriet. Dat kon hij ook niet, want zijn poten zaten in verband, dat wil zeggen, de meeste. Maar dat was niet de reden waarom Bas zo treurig was. O, nee. Ja, hij had er wel last van en het was vervelend en het deed ook pijn; hij voelde het wel, maar toch ook weer niet. Want Bas had een ander soort verdriet. Bas had een zichzelf-best-wel-zielig-vindend soort
verdriet; een alles-overheersend soort verdriet. Bas had LIEFDESVERDRIET! Hij was ineens niet meer zo stoer en ineens niet meer zo sterk. Hij straalde dat niet meer uit. Hij straalde helemaal niets meer uit. Het ergste van alles was dat hij zo - met al die poten in verband - niet naar zijn grote liefde kon. En dat dàt zijn eigen schuld was. Zijn eigen stomme schuld. Dáár ging het om.
En dat lieve wezen, dat potige wormpje van zijn dromen waar hij zo van hield. Waar hij gek op was. Waar hij verliefd op was. Smoorverliefd. Waar hij helemaal hartstikke hoteldebotel van was. Dat wulpse wurmpje wist van niets!
Wist niet dat hij, Bas, verliefd was. Zó verliefd, dat hij de hele dag haar gezichtje voor zich zag. En daar kwam nog bij, hij was bang dat zij hem allang
vergeten zou zijn tegen de tijd dat hij weer kon lopen. Zij had hem immers alleen maar vluchtig gezien en dan nog met een heleboel vrienden om zich heen. Geen woord had ie met haar kunnen wisselen. Ja, één keer had hij haar toegezongen, dat wel. Spontaan, in een opwelling, maar toch... Bas wist niet meer wat hij moest doen. Hij vond zichzelf een oen. Een stoerdoenerige oen.
Luister,
Bas schaamde zich zo voor zijn drammerig gedrag, dat ik hem eigenlijk wel mag. Daarbij komt, kortom, mannetjes duizendpoten doen - vooral als ze verliefd zijn - soms een beetje dom. Maar jij zult nu wel willen weten wat Bas toch allemaal heeft uitgevreten. Dat ga ik nu vertellen. Het hele verhaal. Luister goed.
Een bijzondere gebeurtenis
Op een dag,
een aantal dagen geleden - vorige week vrijdag om precies te zijn - toen er nog helemaal niets aan de hand was met Bas, toen Bas nog gewoon stoer en sterk en macho was, arriveerde er een circus in Het Goudstralenwoud. CIRCUS TROPICA met interessante, maar enge beesten uit Afrika. Schorpioenen, kikkers en slangen, gevaarlijk en giftig als wat. En slangenbezweerders uit Calcutta en Bagdad.
Iedereen juichte en riep 'Hoera!' en 'Reken maar dat ik naar dat circus ga!' Maar stiekem vonden ze het ook een beetje eng: als zo'n beest nou eens ontsnapte en aan de haal ging; gelukkig werden ze streng bewaakt, heel streng. De vrienden van Bas in Donkerdam: Nel en Erwin Spin, Roos en Eef Pier, de hele familie Mier, Bor en Floor Tor, Suzie en Ring Slang... Nou ja, al zijn vrienden - behalve
de familie Mol en de familie Muis - verzamelden zich de volgende ochtend vroeg bij Bas zijn huis, achter de grote kei. Héél vroeg, nog vóór de haan was opgestaan. Want het was wel vijf uur lopen naar de Goudstralenwoudsegrens. En vandaar nog zeker twee uur naar de Grote Open Plek, waar op dat moment de enorme circustent van circus Tropica werd opgezet. Ze vormden snel een rij,
maar plotseling kwamen daar nog van iedereen de neven en nichten bij. Bas wachtte geduldig tot ieder zijn plaatsje gevonden had. Blies toen driemaal heel hard - als sein van de start - op zijn fluit die aan een lange ketting om zijn stoere nek hing. De stoet zette zich in beweging met Bas voorop, hij gaf het tempo aan. En achteraan - de rij was erg lang - gleden statig en voornaam Suzie en Ring slang.
Karel Kraai en Willem Duif vlogen onder luid gejuich een stukje voor hen uit. Alleen de familie Mol en de familie Muis bleven thuis. Zij pasten intussen op de verlaten huizen; wat heel vanzelfsprekend is voor mollen en muizen. De lange tocht De groep zong onderweg een lied: HET GROOT WANDELLIED
Waar wind giert, regen striemt en hagelstenen slaan, zullen wij niet gaan. Het slaat neer met veel kabaal en 'n hoop gedonder. Niemand en niets krijgt ons er onder. Jagen er woeste donkere wolken, is de lucht vol grimmig grijs, dan wagen wij ons met geen poot naar buiten, voor geen prijs. In razend weer,
schraal, schriel en snijdend, bar en bitterboos en extra nat, sturen wij nog geen luis op pad. Waar wind giert, regen striemt en hagelstenen slaan, zullen wij niet gaan. Het geeft ons geen pas te verdrinken in een plas. Natte billen is niet wat wij willen. Ook houden wij niet van het natte gras,
want ons past geen regenjas. Onthoud dus goed: als je ons ziet lopen is de zon niet weggekropen. Ze zongen uit volle borst, de stemming was prima. Het weer was prachtig, absoluut niet regenachtig. Ze schoten lekker op en na zo'n uur of vijf waren ze bij de grens. Alles verliep ook daar, op een paar
kleine probleempjes na, naar wens. |