
| Een najaarsstorm ver op de oceaan, met hoog water en wind, heeft de kust ondermijnd, huizen verdronken. Wij liepen naar het strand van de binnenbaai, dat geen geweld kan doorstaan. Zand over het pad, ruwe sporen van water waar zee door de duinen brak, planten afgerukt en nog bloeiende, slap op het strand. Eb en vloed zaaien weer nieuwe schelpen. Nog nooit zoveel oesterschelpen, geribbeld en wit. Elke vorm gestremd in zijn groei, een tijdsbeeld van voorspoed en tegenslag. De binnenkant glanzend, glad parelmoer. Ik denk aan mijn oude vriendin, bijna blind, zo wanhopig om toch weer een oorlog. Zij ging mee op een lange protesttocht en stierf in haar bed na haar thuiskomst. |
| Mijn moeder leefde voor zichzelf te lang; Vandaar dat zij haar laatste grijze dagen Veelal verdeed met mopperen en klagen, Een vruchteloze, zure zwanenzang. Toch schepte zij een kinderlijk behagen In onze dagelijkse ommegang Als ik weg uit het huis, uit haar gevang Haar rondreed in haar invalidenwagen. De vreugde was niet altijd onverdeeld: Ik deed het half uit liefde, half verveeld, Maar ik kwam in het park soms halverwege Een moeder met een kinderwagen tegen En zag dan het verdraaide spiegelbeeld Hoe ik ooit in haar wagen had gelegen. |