Een lied, een verhaallied uit het circus

Het lied ging over een sultan in Bagdad
die de meest gevaarlijke slangen
in zijn tuin had.


Omdat hij zijn tuin - een waar paradijs -
ook wel eens wilde betreden zonder
dat die engerds hem op de hielen gleden,
wilde hij die slangen,
die niet alleen gevaarlijk
en giftig waren,
maar ook ongeduldig en driftig
en de hele dag
van alles en nog wat aten
en zèlfs wilde zwijnen vraten,
veilig op laten sluiten;
maar dan moesten ze wèl eerst
worden gevangen.

Hij besprak dat met zijn staf
en als eersten gingen er
de slangenbezweerders
met een hele grote mand op af.
De sultan wachtte ongeduldig
een uur of wat;
maar ze kwamen niet terug.
Dus stuurde hij vlug
de butler en de kamerheer;
maar die keerden ook niet weer.
Toen zou het keukenpersoneel
de slangen wel even vangen.
Dat ging er op af gewapend
met potten en pannen.

En de sultan...?
Die wachtte gespannen.

Maar, je raadt het al,
ook zij bleven weg.
En na spoedberaad
en diepgaand overleg
zouden de kamermeisjes
de klus wel klaren.
Zíj gingen er op af
met stoffer en blik,
maar verdwenen in nòg minder
dan een ogenblik.
De sultan was ten einde raad.
De opperstalmeester
- de stallenjongens
hadden het ook al geprobeerd,
na een hoop gepraat -
was de enige nog
die een poging kon wagen.
Hij sprong op zijn ruin
en reed in galop
door de steeds minder
paradijselijke tuin.
Maar de slangen zagen het paard
en zijn berijder al van verre
en wachtten
en dachten
dàt wordt feest.
Dus werden ook zij
- de opperstalmeester en zijn ruin -
in enkele seconden opgevreten
in die gruwelijke tuin.

De sultan, wanhopig,
en boos
en hulpe(n)loos
- hij was volkomen uit het lood geslagen -
dwaalde toen heel zielig
in zijn eentje door zijn paleis;
en besloot uit-ein-de-lijk
dan maar zèlf
een kans te gaan wagen....

-o-o-o-

Tjiasso


Klik hier om terug te gaan