7. WIELWEBBEN.
Prima bouwmateriaal.
Veel spinnen maken een web. In allerlei vormen en maten. De meeste mensen kennen alleen wielwebben. Deze zie je veel in de herfst.
Ze heten zo, omdat ze de vorm hebben van een wiel.
De draden die naar binnen lopen heten spaken.
Een wielweb is een handig instrument. Een spin kan er voedsel mee vangen.
Er is weinig bouwmateriaal nodig, omdat ze het zelf maken.
De bouw van een web.
Hoe maakt een spin een wielweb?
Eerst laat ze een draad wapperen door de lucht. Die draad wordt steeds langer. Als de draad ergens aan kleeft, bv een tak, dan trek de spin hem strak.
Dan loopt ze over de draad en gaat in het midden zitten en bijt de draad door. Daarna zakt ze aan een reservedraad naar beneden. Zo ontstaat een Y- vorm. Vanuit deze drie draden maakt de spin de buitenste draden, de raamdraden.
Vervolgens maakt ze een aantal draden, die heten spaakdraden.
Sommige soorten maken er 15, andere wel meer dan 60.
Als de spaakdraden klaar zijn, gaat de spin naar het midden.
Vanuit dat punt loopt ze in een spiraalbeweging rond.
Onderussen spant ze een andere draad, hulpspiraal.
Als ze aan de buitenkant van het web is, begint ze weer opnieuw. Steeds met dezelfde spiraalbeweging. Alleen ze maakt nu kleefdraden.
Kleefdraden zijn draden waar een kleverige vloeistof in zit. Het lijkt een beetje op lijm, maar dat is het niet.
WACHTEN OP EEN PROOI.
Als een spin klaar is gaat ze ergens in het web zitten.
Soms verschuilen ze zich onder een blad aan de rand van het web. Daar leggen ze dan een poot op een draad van hun web.
Zo kunnen ze voelen of er een insect op hun web terecht komt. Ze voelen het nog beter als de insect begint te spartelen. Als dat gebeurt slaan de spinnen meteen toe.
Ze spuiten met hun spintepels een massa spinsel rond het insekt heen. Daarna verlammen de spinnen hun prooi. Als ze geen honger hebben bewaren ze hun prooi nog in hun web.
De prooi blijft langer goed als hij nog leeft. |