binkybol
Wil jij ook een Website? Word dan lid van de Kinderlines Club!
INHOUD

        1. Overal spinnen.
        2. Hoe zitten spinnen in elkaar.
        3. Alle spinnen spinnen.
        4. Soorten spinnen.
        5. Vrijende spinnen.
        6. Eieren en cocons.
        7. Wielwebben.
        8. Bijzondere spinnen.
        9. Rol in de natuur.

SPINNEN werkstuk.
1. OVERAL SPINNEN.

Als je bang bent voor spinnen is dat niet zo gek. De meeste mensen vinden spinnen eng.
Het enige nadeel is dat spinnen overal voorkomen.
Een spinnendeskundige heeft uitgerekend hoeveel spinnen er leven in een natuurgebied ter grootte van een voetbalveld. Hij schatte hun aantal op een miljoen.

Er zijn mensen die denken dat spinnen alleen in de herfst voorkomen. Dat is natuurlijk niet zo. Ook in de zomer zijn er spinnen.
Toch zie je spinnen niet het hele jaar door. In de winter verstoppen ze zich vaak tegen de kou.
Sommige spinnen houden niet van buitenlucht, zoals de spuwspin. Die overwinteren heel dicht bij mensen in huis.

2. HOE ZITTEN SPINNEN IN ELKAAR.

Spinnen lijken nog het meeste op insecten. Het lichaam van een insekt bestaat uit drie delen:de kop, een borststuk, een achterlijf.
Het verschil is dat een spinnenlichaam uit twee delen bestaat, een kopborststuk en een achterlijf.
Het achterlijf zit met een dun steeltje aan het kopborststuk vast.
Aan het kopborststuk zitten de ogen, poten en kaken.










Spinnen hebben geen voelsprieten. Ze hebben iets wat er op lijkt, palpen.
Palpen zijn twee kleien steeltjes, die aan allebei de weerzijde van de mond zitten. De spin kan daarmee voelen en een prooi stevig vasthouden.
Spinnen hebben 8 poten. Hun poten zijn soepel en elastisch.
Iedere poot bestaat uit 7 dunne buisjes, die een soort scharniertjes hebben.
Daarmee kan de spin makkelijk over de draden van zijn web lopen.
Als een spin een poot kwijt is, groeit er gewoon een nieuwe poot aan.
Met zijn poten kan een spin ruiken en voelen.
 DIEREN INFO WEBSITE
  
Bladeren
VAN JAS WISSELEN.

Spinnen hebben geen skelet, zoals mensen, vogels en vissen. Hun huid bestaat uit chitine. Dat is een stof waar onze nagels en haren van zijn gemaakt. Die huid geeft spinnen stevigheid.
We noemen zo`n huid een `uitwendig skelet`. Mensen hebben een inwendig skelet.
Een chitine huid groeit niet mee. De spinnen wisselen van huid, omdat de nieuwe huid wat ruimer is dan de oude. Daardoor kan de spin eerst groeien voordat ze gaat vervellen.

ADEMEN.
Ademen doet de spin met boeklongen. Die longen zitten goed vast. De plooien van de longen lijken op bladzijden van een boek. Vandaar de naam boeklongen.
Deze zitten vast aan het achterlijf. Daar zitten twee spleten aan de onderkant van het achterlijf, waarmee de spin ademt.
OGEN.

De meeste spinnen hebben 8 ogen, andere 6, 4 of 2. Enkele spinnen hebben zelf helemaal geen ogen, omdat ze bv in grotten of donkere holen leven.
Spinnen hebben twee soorten ogen. Hoofd-ogen en bij-ogen. Het verschil zit aan de binnenkant. De hoofd-ogen zijn anders gebouwd dan de bij-ogen. Onderzoekers denken dat spinnen met hun hoofd-ogen beelden kunnen zien en met hun bij-ogen het verschil tussen licht en donker.

Spinnen die in een web leven kunnen helemaal niet goed zien met hun kleine oogjes. Dat is ook niet nodig voor het bouwen van hun web of voor het vangen van insekten.
Er zijn ook spinnen die over de grond rennen op jacht naar insekten. Zij kunnen wel goed zien. Anders zouden ze nooit een prooi te pakken kunnen krijgen.Deze spinnen hebben grotere hoofd-ogen dan spinnen die in een web leven.
ALLEEN DRINKEN.

Spinnen leven van vlees. Meestal van wat kleinere diertjes, zoals insekten. Soms ook andere spinnen.
Er is een spinnendoort dat alleen pissebedden eet.
De grote tropische vogelspinnen eten ook muizen, vogels en kleine slangen.
Spinnen kunnen niet kauwen zoals wij. Daarom zuigt een spin haqar prooi leeg. Ze moet haar prooi wel eerst vloeibaar maken. Dat doet ze met behulp van haar kaken.
Aan het eind van de punten van haar kaken zitten gifklauwen, waaraan een buisje zit. Daarmee spuit ze het gif in de prooi. Die raakt verlamd, zodat hij niet meer kan vluchten.
Daarna zuigt de spin zijn prooi leeg.

Je hoeft niet bang te zijn als je gebeten wordt in Nederland door een spin. Een spin kan namelijk niet met haar gifklauwen door jouw huid heen.
4. SOORTEN SPINNEN.

Er bestaan twee groepen spinnen.
Spinnen, die een web maken en kleine vliegende insekten vangen. Ook wel webspinnen genoemd, bv de kruisspin.

Jachtspinnen, spinnen die geen web maken, bv de huisspin. Deze rent s`nachts weleens door een kamer.
Er zijn verschillende soorten jachtspinnen, bv wolfspinnen. Dit zijn kleine bruingrijze spinnetjes, die je weleens in de tuin kan tegenkomen.

Krabspinnen zijn ook jachtspinnen. Ze verstoppen zich vaak onder bloemen. Als een prooi dan op een bloem gaat zitten, dan grijpt de krabspin bliksemsnel toe. Krabspinnen hebben meestal de kleur van een bloem waar ze op zitten. De krabspin strekt bij gevaar haar voorpoten wijd uit elkaar net als een krab.

De zebraspin is een spin die je met zonnig weer ziet, een springspin. Deze spin heet zo, omdat ze boven op haar prooi springt.
3. ALLE SPINNEN SPINNEN.

Elke spin kan draden maken met behulp van een vloeistof in haar lichaam. Elke spin heeft 4 of 6 spintepels. Een spintepel bevat honderde buisjes.Uit deze buisjes komt een stof, die spinstof heet.
Een spindraad is veel dunner dan een mensenhaar. Zo`n draad bestaat uit veel dunne draadjes, net als touw of een kabel. Daarom is de draad van een spin zo sterk en elastisch. Een spindraad wordt voor verschillende dingen gebruikt.

Spinnen maken er webben van. Daarin vangen ze insekten.
Sommige spinnen leggen struikeldraden aan, zodat het insekt er over struikelt. Daarna pakken de spinnen het insekt.
Andere spinnen maken er een soort tunnel van, waarin ze wonen. Zo`n woonbuis zie je wel is in een schuur of ergens in een huis.
Spinnen gebruiken ook draden om een prooi te pakken.
Een spin kan zich ook naar beneden laten zakken via een draad om bijvoorbeeld te vluchten.
Veel spinnen zorgen voor een veiligheidsdraad als ze aan het lopen zijn, want stel als ze aangevallen worden dan kunnen ze altijd nog snel terug klimmen.

Jonge spinnen gebruiken vooral draden om mee te vliegen als een soort zweefvliegtuig. Ze maken een lange draad, die in de lucht zweeft. Gaat er wind waaien, dan gaan de kleine spinnentjes mee de lucht in. In de herfst krijg je soms weleens zo`n draad in je gezicht. Jonge spinnen zijn echte luchtreizigers. Onderzoekers hebben jonge spinnen aangetroffen boven de oceaan, op honderden kilometers uit de kust en soms zelfs op enkele kilometers hoogte.
Grotere spinnen laten hun draden in de wind wapperen. Als de draad ergens aan vast kleeft, trekken ze de draad strak.
  
Bladeren